30e Veluwerally (2007)

Op 30 september 2007 werd de 30 Veluwerally gehouden. Ik had me ingeschreven voor de 100 km van Giesbeek naar Kampen.

Om 7.30 uur wordt het startschot gegeven en naar schatting zetten zo'n 60 kano's zich in beweging. De meeste zijn grootwaterboten. Verder een aantal snellere vlakwaterboten, een paar tweepersoons kano's en één C10. Alles bij elkaar een bont gezelschap.

Het eerste stuk gaat over het stilstaande water van een recreatieplas en na een half uurtje komen we op de IJssel. Het snelstromende water van de IJssel geeft een kick als je naar de kant kijkt. Je krijgt vleugels. Mijn GPS geeft gemiddeld zo'n 12 km per uur aan. Het is bewolkt, ongeveer 16 graden en we hebben een beetje wind in de rug. Ik vaar alleen. Dat is prima want dan kan ik helemaal mijn eigen tempo bepalen. Ik maak links en rechts een praatje met bekende en onbekende medevaarders. Ik voel me prima en alles gaat gesmeerd. De stadjes Doesburg, Dieren en Zutphen glijden voorbij. Het uitzicht op die stadjes vanaf het water is niet meer wat het geweest is. In het verleden zag je een kerktoren met eromheen een aantal pittoreske huizen. Nu wordt het uitzicht daarop bedorven door moderne boulevardflats die ervoor staan, vlak aan het water. Die appartementen staan dáár, omdat de bewoners dan een mooi uitzicht op de IJssel hebben.

Plotseling zie ik de enige andere Aquaviter voor mij die ook de 100 vaart, Leen. Hij peddelt niet, hij ligt stil om een boterham te eten. Het feit dat ik hem inhaal is vreemd. Met dit soort tochten zie ik Leen alleen maar bij de start, vervolgens als een stip die alleen maar kleiner wordt, en daarna weer bij de finish. “Nee, het gaat niet zo lekker. Ik kan mijn ritme niet vinden” meldt hij. Hij eet zijn boterham op en we varen samen een stukje op. De strijd is ongelijk. Leen vaart in een onbeladen Eska en ik in mijn, met campingspullen volgepakte zeekano. Hij vaart dan ook langzaam maar zeker bij me weg en ik vaar weer alleen. Ik geniet van de omgeving. Als de C10 mij passeert maak ik een paar foto's van ze. Het is een prachtig gezicht, al die peddels gelijk in het water.

Een paar kilometer voor Deventer is er geen houden meer aan: Ik moet naar de kant om te doen waar ik op de camping niet aan toe gekomen ben, omdat er op de honderden deelnemers maar twee toiletten waren. Na deze opluchting neem ik snel een kopje koffie uit mijn thermosfles en stap weer in mijn boot. Het eten doe ik liever in de boot, want ook al peddel je niet, door de stroming ga je toch vooruit. Ik vaar door Deventer. Dat is het 50 km punt, halverwege dus. Veel kanoërs vinden dit kennelijk een mooi punt om een stop te maken. Links en rechts, op elk strandje zitten er wel en paar. Ik heb mijn stop al en paar kilometer eerder gemaakt en zit weer lekker in mijn tempo. Het genieten is weer begonnen. De IJssel draait hier wat naar het westen, en de westenwind is af en toe voelbaar als tegenwind. Ik stel me in op een lang stuk varen want ik wil niet eerder stoppen dan het 77 km punt bij Kromholt. Dit stuk is toch anders varen dan het stuk vóór Deventer. Vóór Deventer zie je altijd wel andere kanoërs om je heen, maar hier heb je stukken waarbij je niemand ziet. Je begint dus langzamerhand te begrijpen dat je het alléén moet doen. Op de laatste kilometers voor Kromholt begint de afstand te tellen en ik begin een paar jeuk- en pijnpuntjes te krijgen. Dus de stop komt als geroepen. Als ik er aankom zie ik Leen weer, die net op het punt staat om te vertrekken. Ook hij heeft daar dus een pauze gehouden. We spreken elkaar moed in. Hij vaart weg en ik stap uit mijn boot.

Bij dit punt krijg je een beker met soep. Dat is lekker zout en daarvan voel je weer je krachten terugkomen. Nadat ik mijn beker soep op heb, probeer ik er nog één te bietsen. Ik krijg een halfje. “anders heb ik misschien niet genoeg voor iedereen” zegt de soep-uitdeelster. Daar kan ik het mee eens zijn. Als de soep op is bedank ik voor de service. Maar de service is nog niet afgelopen want bij het instappen wordt ik daarbij keurig geholpen.

Ik stap gelijk in met drie andere kanoërs die ik ken van tochten op zee. Eén van hun is zeekajakinstructeur. We halen wat oude koeien uit de sloot en vertellen elkaar sterke verhalen. Als we bij het visserslatijn zijn aangekomen merk ik dat hun tempo toch iets hoger ligt dan het mijne. Als ik een slok water neem lig ik 25 meter achter. Ik besluit ze te laten gaan en mijn eigen tempo te varen. De IJssel draait hier nog meer naar her westen en de wind komt nu constant van voren. Het tactisch varen is nu begonnen. Bochten afsteken, kijken waar de meeste stroom zit en de luwte van de oever kiezen. Het één gaat natuurlijk niet gepaard met het ander. De meeste stroming zit altijd wel in de buitenbocht, maar de buitenbocht is natuurlijk het tegenovergestelde van afsteken. Daarbij heb je nog de wind. Is het verstandig om af te snijden en vol de tegenwind te pakken? Of de luwte van de bosschages op de oever te benutten en dan maar wat minder stroming te hebben? Dat zijn zo de dingen die me op dit stuk bezighouden. Dat geeft wel aan dat je wel naar het einde van de tocht uitziet. Uiteindelijk zit je hier al ongeveer 9 uur in de boot.

Opeens zie ik de instructeur voor me die, in het groepje van drie, bij mij was weggevaren. Zijn slag is houterig en krachteloos. Ik vaar snel naar hem toe. “Gaat het nog een beetje?” vraag ik. Als ik naar zijn gezicht kijk begrijp ik dat het een pijnlijke vraag was. Zijn gezicht is één grimas. Het gaat dus duidelijk niet. Hij lijkt naar een antwoord te zoeken, maar dat komt nog even niet. Als ik bij mezelf te raden ga, dan heb ik twee pijntjes: Mij rechterhand is wat beurs en mijn rugband irriteert al een poosje mijn rug. Maar ja, wat doe je daaraan? Niets, gewoon doorvaren. De instructeur heeft, zo te zien, ook wat probleempjes, maar dan wel even wat meer dan ik. Na wat gerochel komt er alsnog een antwoord op mijn vraag. “Gewoon doorvaren” zegt de instructeur. Uit beleefdheid wacht ik ook een half minuutje en zeg dan “Dat dacht ik al”. Ik begrijp dat het gesprek geen bijzondere diepgang zal krijgen en vaar door, de instructeur aan zijn lot overlatend. Het “gesprek” heeft me goed gedaan. Behalve mijn pijntjes voel ik me niet echt moe en is mijn slag nog krachtig. En dat koester ik.

Als de brug van Kampen zichtbaar is, is het eindpunt nabij. Bij het eindpunt is het een gezellige drukte. Behalve voor de 100 km-vaarders, is dit ook het eindpunt voor de 50 km-vaarder die in Deventer zijn begonnen. Als ik uitstap komt Leen met zijn vrouw op me af en feliciteren me. Volgens mijn gps was mijn tijd 9 uur en 49 minuten waarvan ik 36 minuten gepauzeerd heb.

Dik

 

 

 

terug naar verslagen / foto's