Pampustocht

Zaterdag 13 mei 2006.

Als ik om 9 uur mijn boot uit de stelling trek lijkt het weer zich keurig aan de voorspelling te houden: 20 graden, zonnig en weinig wind. Prima kanoweer nietwaar?

Het water bij het strandje was bijzonder helder. Dat bracht me op het idee om het Gooimeer over te steken naar de kust van het Gooi. Daar is het ondiep en ik vind het altijd leuk om in het water te kijken in de hoop vissen, plantjes of andere dingen te zien.

Zo gezegd, zo gedaan. Al snel zie ik aan de overkant de bodem. Als het water ongeveer een meter diep is zie ik de bodem spatzuiver. Hoewel ik nog ver van de gele tonnen ben, die het verboden natuurgebied aangeven ga ik niet dichter naar de kant omdat ik de honderden zwanen daar niet wil verstoren. Ik speur door mijn polaroid zonnebril de bodem af. Ik zie op de egale zandbodem hier en daar wat stenen en schelpen en verder redelijk wat plukken donkergroen wier. Deze herken ik want die heb ik thuis ook in mijn vijver. Geen vissen. Wel een paar stukken touw. Vermoedelijk restanten van visnetten. Al turend in het water vaar ik naar het eilandje de Schelp. Daar wordt het water dieper en raak het zicht op de bodem kwijt. Even verderop zijn er nieuwe kansen. Er is daar vorig jaar een recreatiestrandje gemaakt met daar voor een aantal stenen dijken die als golfbreker dienen. Weer kijk ik in het heldere water.

Zag ik dat goed? Plotseling dacht ik uit mijn ooghoek een knots van een vis te zien, maar ik ben er al voorbij. Na enige twijfel besluit alsnog te stoppen en te gaan kijken. Behoedzaam peddel ik achteruit. Tot mijn verbazing zie ik een karper van zo'n 50 cm heel rustig zwemmen. Zijn grote bek met snorharen zijn duidelijk zichtbaar. Zijn grijsbruine schubben blinken in het zonlicht. Hoewel ik slechts anderhalve meter bij hem vandaan ben, trekt hij zich niets van mij aan. Met zijn dikke lijf zwemt hij rustig iets naar mij toe en dan er weer wat verder weg. Alsof ik er niet ben. Dat duurt zo een halve minuut. Dan opeens maakt hij een klap met zijn staart en weg is hij. Aan de oppervlakte ontstaat een draaikolk. Juist als ik me bedenk dat dit schouwspel al mijn getuur in het water dubbel en dwars waard was, zie ik drie karpers van het zelfde formaat. Daarna twee. En daarna nog een stuk of wat. Ik raak de tel kwijt. Alles bij elkaar heb ik er tussen de 15 en 20 gezien. Sommige schoten door mijn aanwezigheid direct weg, terwijl anderen deden alsof ik lucht was en bleven rustig zwemmen. Zelfs onder mijn boot door. Vermoedelijk is het paartijd en komen ze bij elkaar in het ondiepe water langs deze golfbrekers die volop in de zon liggen waardoor het water wat warmer wordt. Dat veronderstel ik maar want eigenlijk heb ik helemaal geen verstand van vissen. Het enige wat is van vissen weet is dat je beter filet kan kopen omdat daar geen graat in zit. Ik vaar verder richting Hollandse brug. Langs de waterkant van basaltblokken wordt het water dieper en is de vis-voorstelling voorbij. Dat is maar goed ook want daar staan een aantal vissers met werphengels. Ik moet om ze heen varen om niet zelf aan de haak geslagen te worden. Ik hoop dat ze niets vangen want ik heb zojuist vriendschap met de vissen gesloten en overweeg om visvegetariër te worden.

Ik vaar langs het Hooft naar Pampus. Het IJmeer is een stuk minder helder. Mijn peddel is slechts tot 30cm onder water zichtbaar. Ik vraag me af hoe het kan dat het Gooimeer zo helder is, en het IJmeer niet. Het staat met elkaar in verbinding, is ongeveer even diep, en heeft de zelfde bodem. Ik kom er niet uit en troost mezelf maar met de gedachte dat ik niet alles hoef te snappen. Als ik bij Pampus aankom vaar ik er, zoals bijna altijd, eerst een rondje omheen en stop op het enige strandje dat het eiland rijk is. Hoewel, strandje is een groot woord. Het is niet meer dan een stukje basalt dijk waar een gat in zit en waar wat zand ligt tussen de nog aanwezige stenen. Ik vraag me altijd af wanneer ze dat gat gaan repareren en het strandje verdwenen is. Ik drink koffie uit mij thermosfles en eet een paar boterhammen. Verder geniet ik van de zon en het uitzicht. Het leven van een kajakker op een mooie zaterdagmiddag is zo slecht nog niet. De wind is inmiddels, overeenkomstig de verwachting, aangetrokken. Ik zie een vlag op het eiland strak naar het Noordoosten wapperen. Dus is het Zuidwesten wind. Er meert een boot, afgeladen met toeristen, af aan de steiger. Een paar keer per dag worden er rondleidingen op het eiland gegeven Net als ik besluit weer op te stappen maakt een toerist zich los uit de meute en komt naar mij toe. Hij groet met een Goois “Hallo zeg” en wil vervolgens weten waar ik vandaan kom, waar ik naar toe ga, hoeveel “mijl” dat is en hoelang ik daar zo over doe. Hoewel ik met behulp van mijn GPS precies en tot ver achter de komma antwoord op zou kunnen geven, blijven mijn antwoorden vaag en vooral kort. Ik hou niet van zoveel nieuwsgierigheid. Tenslotte hoef ik ook niets van hem te weten. Het gesprek duurt dan ook niet zo lang en ik kan weg. Ik vaar opnieuw langs de stenen golfbrekers om te zien of mijn nieuwe vrienden er nog zijn, maar er zijn nu te veel golven om onderwater te kunnen kijken. Ik ga even langs de haven van Naarden om daar in de watersportwinkel wat nieuw hang-en sluitwerk voor mijn kano te kopen, en vaar terug naar de loods.

Als ik bovenstaande zo terug lees is het niet echt een verhaal dat bol staat van spanning en sensatie. Dat was ook niet de bedoeling. Ik heb alleen willen overbrengen dat kanovaren puur genieten kan zijn.

Dik

 

 

terug naar verslagen / foto's